AFLEVERING 665 - 13 november 2011
Vrouwtje

Afgelopen week heb ik mijn vrouw weer wat beter leren kennen.
Voor de buitenwereld is zij denk ik een vriendelijk, meisjes-achtig, vrouwtje. Als je iets dichterbij komt zie je hoe grappig en slim ze is. Als je nog dichterbij komt merk je hoe bij dit ‘schoffie uit Hoogvliet’ de overwonnen schuchterheid de hand heeft geschud van ondeugendheid.
En als je nog dichterbij komt, dan trouw je met ‘r.

Er zit niks kwaads in haar.

Zoals mensen denk ik in míj ook weinig kwaads zullen zien.
Het is altijd moeilijk in te schatten hoe andere mensen tegen je aankijken, maar ik geloof dat er iets aan mij kleeft van een vriendelijk reus. Ik wil nog wel eens bot uit de hoek komen, maar door de toon waarop ik het zeg, is wel duidelijk dat er geen slechte intenties achter zitten.

En dan onze hond, Mees.
Heeft die kwaaie intenties?

Ik weet niet of je dat over een dier kan zeggen.
Dat het intenties heeft.

Mees is een best beest.
Met een instinct.
Een jachtinstinct.

Toen we haar net hadden probeerde ze dat instinct nog wel eens op onze poezen te botvieren.
Dat wordt minder.
Wel was ze laatst helemaal hotel de botel toen een van de poezen met een spartelend ratje kwam aanzetten.
En al meerdere konijnen heb ik het leven gered met de lijn waaraan we Mees altijd uitlaten.

Twee tot drie keer in de week gaan mijn vrouw en ik naar een sportschool vlak bij het Rijnmond-pand, en dan stallen we Mees bij de balie van Rijnmond of bij een vriend die schuin boven de sportschool woont.
Voordat ik Mees naar die vriend breng, ga ik steeds even met haar naar een grasveldje. Het is de bedoeling dat ze daar nog even een plas doet.

Maar tot twee keer toe heeft ze op dat grasveld een konijn gezien, waar ze natuurlijk met haar hele instinct achteraan wilde, en nu zijn we zover dat Mees al in de auto in de omgeving van Rijnmond bijna niet meer te houden is.

Gisteren was het weer zover.
In het zicht van de Westzeedijk werd ze al onrustig op de achterbank.
Neus tegen de ruit, snel ademhalen, heen en weer lopen.
We kregen gewoon medelijden met ‘r.

“Eigenlijk gun je zo’n beest dat ze een keer echt achter de konijnen aan kan,” zei ik, meewarig naar het grasveld kijkend.

“Nou,” antwoordde mijn vrouw monter, “we kunnen d’r een keer meenemen naar de kinderboerderij.”

Toen we uitgelachen waren, voegde ze eraan toe: “Zie je wel. Ik ben helemaal niet zo’n aardig vrouwtje.”