AFLEVERING 662 - 30 oktober 2011
Toekomst


Afgelopen week heb ik de toekomst gezien.
De toekomst.
Tijdens een wandeling door het Staalduinse bos, bij Hoek van Holland in de buurt.
Na afloop van de uitzending van vorige week ben ik met vrouw en hond naar het bos getogen om de herfst op z’n mooist te ondergaan, in een aangenaam najaarszonnetje.
Een beetje tot onze schrik bleken we bepaald niet de enigen die op dat idee waren gekomen.
Zondagmiddag, herfstvakantie, mooi weer.
Even niet aan gedacht allemaal.

Maar die drukte leverde ook een onvergetelijk tafereel op.

Op een smal en drassig bospad werden wij gepasseerd door twee jochies van een jaar of vier, vijf. De voorste was met een soort loopfietsje, de andere holde erachteraan.
En zoals kinderen op die leeftijd wel vaker doen, struikelde het hollende ventje over zijn eigen beentjes.
Hij kwam half in een drassig stuk terecht.
Waarop het mannetje met zijn fietsie zich omdraaide en riep: “So, ga je lekker liggen chillen?”

“So, ga je lekker liggen chillen?”

Uit de mond van een ventje van rond de vier.

Hij gebruikte het woord ‘chillen’, zonder de denkbeeldige aanhalingstekens die ik er zelf, met een stembuiging, omheen zou zetten. ‘Chillen’ is bij uitstek zo’n modieus woord dat ik niet serieus m’n bek uit kan krijgen.
Van alles in mij verzet zich ertegen.
Als ik heel eerlijk ben, moet ik bekennen dat ik het zelfs een beetje ‘dom’ vind klinken.

Maar zo, uit de mond van een klein ventje, was het vooral vermakelijk.
Hij gebruikte het woord net als alle anderen woorden die hij in zijn nog korte bestaantje heeft geleerd. Zich totaal onbewust van modes, en stromingen die komen en gaan.

Verderlopend door het bos, begon ik me af te vragen of zo’n woord als ‘chillen’ zal overleven. Zal dat over pakweg 25 jaar nog worden gebezigd? Of eindigt het in dezelfde la als ‘mieters’, ‘vet’ en ‘gaaf’?
Hoe dan ook: wat dat jochie bezigde was ofwel de taal van de toekomst, of de-taal-van-vroeger van de toekomst.
In beide gevallen: de toekomst.
Die zag ik hier in wording.

Scharrelend langs de bunkers in het Staalduinse bos reailseerde ik me dat ik zelf, met mijn taalgebruik, natuurlijk steeds meer iemand van het verleden zal worden.
Het zal nog even duren, maar er komt een dag dat een jochie dat nu nog maar vier is, mij hoort en denkt: dat is een oude meneer. Dat is iemand van vroeger.
Alleen al hoe die praat.

Misschien vraag ik ‘m dan wel of ie niet even moet gaan ‘chillen’.