 |
AFLEVERING 659
- 9 oktober 2011
Rechter
Afgelopen week heb ik voor de rechter gestaan.
Voor een kwestie van dik anderhalf jaar geleden.
Ik heb er al eens over verteld.
Ruim anderhalf jaar geleden ben ik door twee stadswachten op de bon geslingerd
omdat ik de hond niet had aangelijnd.
Een oude, sjokkende hond - die inmiddels trouwens al niet eens meer leeft
- ’s avonds laat, langs een verlaten singel, zonder doorgaand verkeer.
Niemand tot last of gevaar.
En met de stadswachten viel niet te praten.
Ze gingen meteen schrijven.
Ik heb die confrontatie als bot ervaren.
En toen op de bon die ik héél véél later
kreeg thuisgestuurd een heel verkeerde plek van het ‘delict’
stond, meende ik een gaatje te zien voor bij de kantonrechter.
Ik tekende verzet aan.
Afgelopen dinsdag was het zover.
Op dierendag.
Even had ik nog de fantasie dat het geen toeval was dat ik juist op die
dag op het Wilhelminaplein was ontboden.
In gedachten zag ik een hele menigte honden-overtreders die op deze bijzondere
dag een generaal pardon kreeg, maar niks. Het was een echte strafzaak.
Tegen de rechter, de officier van justitie en de griffier heb ik om te
beginnen gezegd dat ik het treurig vond dat zo veel goedopgeleide mensen
zich met zoiets futiels moesten bezighouden. Wat mij betreft ging het
nergens over.
Daarna kreeg ik alle ruimte om mijn verhaal te doen.
De vormfout in het relaas van de stadswacht.
Hoe bot ik me behandeld had gevoeld.
En de onzinnigheid van zo’n algemene aanlijnregel.
Het werd aangehoord. En juridisch allemaal weinig steekhoudend gevonden.
Wat me niet heel erg verbaasde. Ik heb zelf ook rechten gestudeerd. Strafrecht
zelfs.
Maar de gang naar deze rechter leverde me toch zes tientjes op, want
de aanvankelijk opgelegde boete van 60 euro werd voorwaardelijk gemaakt.
Als ik binnen twee jaar nog eens wordt betrapt, mag ik behalve een nieuwe
boete, ook deze betalen.
Ben ik daar blij mee?
Nauwelijks.
Ik kwam de rechtszaal uit met een vaag, onbevredigd gevoel.
Het heeft even geduurd voordat ik begreep waar ‘m dat in zat.
Het is niet fijn als er alleen met een klinische, juridische blik gekeken
wordt naar een voorval dat omgeven is door allerlei emoties. Je hebt het
gevoel dat de gebeurtenis zo wordt versimpeld tot ie past in een raamwerk.
Alsof je een vaas aan stukken slaat om ‘m bij iemand door de brievenbus
te kunnen proppen.
En dan de mensen achter de tafel.
De officier van justitie, de rechter, de griffier.
Zij zitten daar niet ‘als zichzelf’. Zij zitten daar uit hoofde
van hun functie. Zij spelen een rol.
Je hoopt dat je ondanks dat, toch als gewone mensen kunt communiceren.
Zoals ik in het dagelijks leven bijvoorbeeld ook altijd probeer om winkelpersoneel
een soort persoonlijke reactie te ontlokken. Dat je even loskomt van het
stramien klant-personeel. Dat je elkaar ziet als de persoon die je bent.
In de rechtszaal was daar weinig ruimte voor.
Wel ietsje meer dan bij de stadswacht die mij bekeurde, maar toch. Tot
een wezenlijke communicatie kwam het niet.
Onprettig, en voor mijn gevoel volstrekt onnodig.
En o ja, de officier van justitie haalde nog even aan wat ik had geantwoord
op de vraag van de bekeurende stadswacht waaròm ik de hond niet
had aangelijnd.
“Klopt het dat u heeft gezegd: Omdat het heelal uitdijt?”
Dat klopte ja.
Want ik vond dat op een onzinnige vraag alleen een onzinnig antwoord paste.
Ook dit bracht de officier en mij niet nader tot elkaar.
|
 |