 |
AFLEVERING 644 - 26 juni 2011
Bejaardenhuis
Afgelopen week heb ik een glimp opgevangen van het bejaardenhuis waar ik
liever niet in terechtkom.
Het was tijdens het uitlaten van de hond.
Sinds twee weken heb ik weer een hondje, een nog vrij jong beestje, van
vijf maanden, dat zes keer per dag naar buiten moet om de kleden thuis
nog een beetje toonbaar te houden, en buiten maak ik weer van alles mee.
Zo kwam ik van de week langs de singel bij mij in de buurt een vrouw
met twee honden tegen die nogal ontdaan leek na het beëindigen van
een mobiel telefoongesprek.
Wat bleek: ze had zojuist een jonge duif uit het water gered, een beestje
dat nog niet kon vliegen, en dat nu kwetsbaar zat te zijn onder een boom,
een makkelijke prooi voor honden. De dierenambulance of vogelklas of iets
dergelijks die ze had gebeld wilde niet komen.
Ze kon de vogel wel komen brengen.
Nou ja. Waar waren die lui dan voor?
In wat voor tijd leefden we toch?
Waar ging de maatschappij heen?
Wat was dit allemaal?
Ik had ook geen antwoord, maar beloofde ook even naar de duif te kijken.
Inderdaad, een kwetsbaar beestje.
Maar ja, dat daar de dierenambulance niet voor komt, dat begreep ik ook
wel. Die kan toch niet voor elke jonge, schijnbaar verweesde vogel uitrukken?
Geen beginnen aan.
Laat de natuur z’n werk doen.
Ik was eerder getroffen door iets anders.
De laatste woorden van die vrouw galmden nog na in mijn hoofd. Het klonk
alsof ze deze ‘hulpweigering’ plaatste in het bredere perspectief
van afbrokkelende normen en waarden.
Dat alles minder werd.
Dat lijkt me een beetje desastreuze manier van denken.
Ik spreek nogal eens wat oudere mensen.
En onder hen zie ik vrij grote verschillen.
Aan de ene kant zie ik lui die iets weten te maken van hun oude dag.
Ze ondernemen van alles, zijn geïnteresseerd gebleven in de wereld
en kijken vrij positief om zich heen.
Ze maken een redelijk gelukkige indruk.
Aan de andere kant zijn er de ouderen die verzuren.
Die de hele tijd klagen over van alles en nog wat.
Die alles ‘minder zien worden’.
De klagers vormen op de lange duur niet zulk prettig gezelschap. Je voelt
de neiging om ze te mijden.
Bij van die oude zeurpieten – die heb je nou eenmaal - probeer
ik me ook wel eens voor te stellen hoe ze vroeger zijn geweest.
Waren ze toen ook al zo zuur?
Tja, iets daarvan zal er altijd wel hebben ingezeten.
Bij die vrouw van die duif van de week moest ik daaraan denken.
Ze leek me nog maar in de dertig.
|
 |