AFLEVERING 632 - 27 maart 2011
Voorjaar


Afgelopen week ben ik uit mijn hol gekropen.
Ik zit vrij veel binnen, op mijn jongensetage, thuis, te midden van muziek en achterstallig werk, maar zoals zo veel mensen had ik afgelopen week met dat mooie voorjaarsweer opeens enorme zin om naar buiten te gaan.
De auto in, en dan doorrijden naar Zuid-Frankrijk.
Of, wat dichter bij huis: wat aan de tuin doen.

Ik heb een tuintje, achter het huis, en drie jaar lang, de hele periode van het wankelen van mijn huwelijk, heb ik niks aan dat tuintje gedaan. Drie jaar lang konden de klimop en het onkruid daar ongestoord woekeren.
Toen ik van de week eens ging kijken, zag ik dat tussen de spijlen van de robuuste tuinbank heen een soort onkruidboomje van een meter of twee was gegroeid.
En toen ik met de snoeischaar de klimop tegen de muur te lijf ging kwam er tot verbazing van mijn vriendin, die een half jaar geleden bij me is ingetrokken, nòg een bank tevoorschijn.
Die was helemaal aan het oog onttrokken geraakt.

Het was, kortom, een jungle.

In twee middagen tijd hebben we werkelijk een berg aan takken, bladeren en onduidelijke struikjes uit die jungle geknipt en getrokken.
En om die berg te dumpen moest ik nog verder m’n hol uit.

Een deel heb ik afgevoerd naar de vuilcontainers bij mij om de hoek. Waar ik de Turkse achterbuurman tegenkwam. Voor het eerst in tijden weer eens een praatje mee gemaakt.
Leuk.
Op straat liep ik de directe buren tegen het lijf van wie ik onlangs weer een geboortekaartje in de bus had gekregen, waarop ik nog altijd niet had gereageerd. Nu kon ik de nieuwe wereldburger meteen zelf bewonderen.
Ook leuk.

De rest van het tuinafval heb ik in puinzakken gepropt en naar het milieupark gereden. Daar kwam ik een kennis tegen van de Bergsingel, die ook de tuin was ingedoken. We hebben even bijgepraat, pauzerend tussen het sjouwwerk door.
Ik kwam hem vaak tegen als ik de hond uitliet. Hij wist nog niet dat de hond dood is.
Dat vertelde ik hem nu, vanuit mijn bevlekte ketelpak, zittend op de rand van de geopend achterbak van mijn gedeukte autootje.

Ergens tijdens dat door de zon beschenen gesprek overviel me een enorm gevoel van rijkdom. Niet van financiële rijkdom, maar van het soort alledaagse rijkdom dat te maken heeft met menselijk contact.

Het zette me aan het denken.

Je hoort wel eens mensen praten over zoiets als ‘volksaard’. Stugge Groningers, gezellige Brabanders, licht-ontvlambare Italianen. Dat werk. In het algemeen geef ik weinig voor dat soort typeringen. Ik ben er heilig van overtuigd dat in de kern mensen overal hetzelfde zijn, en dat allerlei karaktertrekken overal in ongeveer dezelfde mate voorkomen.

Maar toch.
Als je ziet wat een paar dagen voorjaarszon al kan uitrichten voor de omgang van mensen.
Wat moet dan niet de invloed zijn van eeuwen en eeuwen zon, warmte en buitenleven?

Misschien iets om komende maanden over na te denken.
Op een van de - weer toegankelijke - tuinbanken.