AFLEVERING 620 - 2 januari 2011
Goed voornemen


Afgelopen week heb ik geworsteld met iets dat je een goed voornemen zou kunnen noemen.
Begin december hebben mijn vriendin en ik twee poesjes uit het asiel gehaald, twee naamloze zusjes die in Hoogvliet op straat waren gevonden.
Het was aan ons om namen te verzinnen.

Een lastige kwestie.
Je wilt dat die beestjes namen krijgen die een beetje bij elkaar passen. En je weet dat je er waarschijnlijk heel lang mee moet doen.
Daarmee krijgt het allemaal een zeker gewicht.

Voorlopig noemden we ze ‘die ene’ en ‘die andere’.
Waarbij ‘die ene’ de aanduiding was voor het driepotige poesje met een vlek op haar snuit.

Na een paar weken hadden we een rechtvaardiging gevonden voor onze besluiteloosheid.
We meenden ons zoiets te herinneren dat Indianen hun kinderen ook niet meteen na de geboorte een naam geven. Ze kijken een baby eerst een tijdje aan.
Wat is dit er voor één?
Wat past bij dit karaktertje?

Juist, daar waren we mee bezig.

Dat poesje met maar drie pootjes kan aardig rennen, maar als ze langzaam loopt, hipt ze een beetje als een kangoeroe.
‘Hé Hincapie,’ hoorde ik mezelf op zeker moment roepen. Naar die Amerikaanse wielrenner. Maar ja, moet je je poes wel opzadelen met een naam die verwijst naar haar gebrek, naar het hinken? Ook al heeft ze dat dan zelf niet door.
En als dat de naam werd, wat moest die andere dan worden? Armstrong? Petacci? Cipollini?
Of: Coppi?
Coppi en Zoetemelk, mooi poezennamen.

Een mogelijkheid.
Maar inmiddels had ik ‘die ene’ ook al gedoopt tot Jodokus.
Omdat dat manke poesje sociaal een beetje onhandig is. Ze is wat bang aangelegd, heeft de neiging om je voor de voeten te lopen en ze slaat bij het kroelen snel haar nageltjes uit.
Die andere is meer een dondersteen.
‘Dondersteen’, goede naam?
Kan. Maar ik had het afgelopen weken ook al over ‘Snakie’.
Jodokus en Snakie, dan?

Twee typetjes van Van Kooten en De Bie passeerden ook de revu. Gé en Arie. Gé en Arie Temmes. Dat waren weliswaar twee broers, en niet twee zussen, maar gevoelsmatig klopte het wel.

In het nieuwe jaar moesten we toch echt eens de knoop doorhakken.
Goed voornemen.
Ik bedoel: je kan toch niet blijven fantaseren?

Nou, uitbuikend van de oliebollen drong zich gisteren een inzicht aan me op.
Het geven van een naam haalt iets dichterbij.
Door iets te benoemen, maak je het in je hoofd tot een begrip. Het wordt iets met een zekere omlijning.
Tegerlijkertijd schept het geven van een naam afstand.
Je plaatst iets buiten jezelf. En het krijgt iets statisch.
Het ligt vast.
Terwijl je je leven toch als iets vloeiends ervaart.

Ik bedoel: mijn vriendin en ik, wij heten voor de wereld wel Roland en Anneke. En wij zien echt de praktische waarde in van het hebben van een naam. Maar noemen wij elkaar ooit Roland of Anneke?
Nee, natuurlijk niet.
Wij heten voor elkaar steeds weer anders.
We verzinnen van alles.

Ik neem aan dat veel stellen dat hebben.

Dus wat wij voor de poezen zoeken is hooguit een naam voor de buitenwereld.
Een naam die wij zelf waarschijnlijk niet gaan gebruiken.

Dat relativeert het dan weer, het eerste goede voornemen voor 2011.