AFLEVERING 618 - 12 december 2010
Gezinsuitbreiding


Afgelopen week heb ik gezinsuitbreiding gekregen.
Nee, ik ben niet alsnog vader geworden.
Mijn vriendin en ik zijn van de week naar het asiel geweest voor een poes.
Dat leek ons wel gezellig, een poes in huis.
De aanwezigheid van zo’n dier maakt je huis toch iets meer tot een thuis, en het samenzijn iets meer tot een gezin.

In het asiel gingen wij langs de hokken met katten.
Er zaten er wel vijftig of zo.
Bij de meeste hing een A4-tje vol informatie over voorkeuren, aandoeningen en onhebbelijkheden.

Het had iets enorm tragisch.
Allemaal beesten die zitten te wachten tot ze worden opgehaald.
Een soort uitverkoop van restanten.
Winkeldochters met een beschadigingetje hier of daar.

Het deed me denken aan de menselijke relatiemarkt.

Als mens moet je op zeker moment in je leven ook op zoek.
Naar een partner.
Maar mensen kunnen nog wel hun best doen om zich van hun beste kant te laten zien.
Dieren zijn gewoon wie ze zijn.
En in het asiel zag ik sommigen katten duidelijk geen reclame maken voor zichzelf.
Hier en daar zat er eentje weggekropen in een hoekje, een ander blies van angst tegen een uitgestoken hand, een derde bleef maar zenuwachtig heen en weer lopen.

Ons oog viel op een klein, jong, nog naamloos poesje met maar drie poten. Een drolletje. Echt zo’n beestje dat je wilt redden. Dat je een goed leven wilt geven.
Ze begon ook meteen flink te spinnen toen ik haar aanhaalde.

Dit was misschien wel wat, maar op een formulier lazen we dat ze alleen samen met haar zus werd geplaatst.
Net zo’n poesje, maar dan met vier pootjes.
Oei. Wilden wij wel meteen twee poezen in huis?

Nog maar even verder kijken.
In volgende hokken zaten ook lieve diertjes die bij de eerste aai begonnen te ronken. Er was er een die tijdens het spinnen nogal kwijlde. Vond mijn vriendin niet zo’n succes. In een volgend hok viel ik voor een zwarte poes van tien maanden, Kwekkie, die zich aanhankelijk tegen me aanvlijde.
Een heerlijk beestje.

Het was lastig.
Je gunt al die dieren een fijn bestaan.
Ergens wil je ze allemaal wel ’redden’.

Maar ja, net zoals je op de menselijke relatiemarkt niet eeuwig kunt blijven fladderen, moet je ook hierin een keuze maken.
De gedachten aan de poezen die het niet werden, moesten dan maar maar slijten.

We besloten er een nachtje over te slapen.

De volgende ochtend ben ik teruggegaan, en nu trippelen er zeven pootjes door Huize Vonk.
En net als een jonge vader ben ik geneigd om iedereen te vertellen van het prille huiselijk geluk.

Blijvende namen hebben de dames nog niet.
We denken nog na.
Vooralsnog spreken wij in ons ‘gezin’ over ‘die ene’ en ‘die andere’.

Ideeën zijn welkom.
Maar haast heeft het niet.
Als het een beetje meezit hebben we nog twintig jaar de tijd om namen te verzinnen.