AFLEVERING 607 - 26 september 2010
On-kies


Afgelopen week heb ik met mes en vork boven de wc gehangen.
Niet dat ik lijd aan een of andere culinaire aberratie.
Dat ik een smerige eetgewoonte heb ontwikkeld.
Nee, het ging om een verloren voorwerp.
Van de week is een stuk van een kies afgebroken, tijdens het eten van soep, en mèt de soep heb ik het afgebroken stuk kies ingeslikt.

Het is de me de laatste jaren vaker overkomen, dat er een vulling uitviel of iets afbrak. Als dat te snel achter elkaar gebeurt, krijg je zo’n gevoel als in een angstdroom. Dat door een of andere ongrijpbare oorzaak je tanden uitvallen.
Dat het grote verval plotseling inzet, in je mond.

De oorzaken van al die akkefietjes de afgelopen jaren wisselden, ik geloof niet dat er iets gemeenschappelijks in is aan te wijzen, of het moet zijn dat allerlei vullingen en inlays er al een tijd inzitten, en dat ze, als het ware, aan de houdbaarheidsdatum raken.

Bij herhaling heb ik me afgelopen jaren bij de tandarts gemeld met het afgebroken stuk, om in een vloek en een zucht weer buiten te staan. De remedie bleek eenvoudig. Even schoonborstelen en schuren, en – hup! – het stuk er terug inlijmen.

Daarom was er mij van de week wel iets aan gelegen om het ingeslikte stuk kies terug te vinden.

Hoe lang duurt het voordat de resten van een maaltijd naar buiten komen?
Ik had geen idee.
Maar mijn gevoel zei me dat je de soep die je ’s avonds hebt gegeten, ’s morgens misschien wel achterwaarts kunt opdienen.

En zo vond ik mezelf met mes en vork terug boven de wc-pot.

Ik zal u de details besparen.
Ik kan me zo voorstellen dat u het allemaal liever niet hoort.

Alleen dit.
Ik heb niks gevonden.
Wel bleef de hele dag een eigenaardige lucht in mijn neus hangen.

En een paar dagen later brak van een kies aan de andere kant ook een stuk af.
Dat stuk had ik wèl op tijd te pakken.

Toen ik me met dat stuk, en de twee gehavende kiezen in mijn mond, meldde bij de tandarts, keek hij dat bewaarde brok zo eens aan.
Daar kon hij niks mee.
Het kon weg.

Toen ik even later met wijd opengesperde mond achterover hing in de tandarts-stoel, dacht ik: misschien had hij ook niks gekund met dat andere stuk.

Heb ik helemaal voor niks zitten prakken.

Nou, heb ik het toch gezegd.