 |
AFLEVERING 604 - 29 augustus 2010
Klaar met Nederland
Afgelopen week ben ik weer eens verzeild geraakt in emigratie-gedachten.
Geen emigratie-gedachten van mezelf, maar van mensen bij mij in de straat
met wie ik van de week in gesprek raakte, op de terugweg van een blokje
om met de hond.
Zelf heb ik ruim twintig jaar geleden een tijdje in Brazilië vertoefd,
met het mogelijke perspectief om daar te blijven.
Bij die gelegenheid heb ik me definitief tot Nederland, en tot Rotterdam,
bekeerd. Ik hoef niet weg.
Maar die mensen bij mij in de straat zijn serieus van plan om met hun
kinderen te verkassen naar Bonaire.
Bonaire.
Waar ik al eerder straatgenoten naartoe heb zien vertrekken.
Dat bleken kennissen te zijn van het stel met wie ik nu in gesprek raakte.
Hadden ze elkaar aangestoken?
Zoals in de jaren vijftig wel gebeurde met Nederlandse landverhuizers
richting Australië, Nieuw-Zeeland en Canada?
Nou, ze hadden het er herhaaldelijk over gehad samen.
En ze waren wezen kijken.
Heerlijk weer, je kon er elke dag naar buiten.
Maar het belangrijkste was toch dat ze ‘klaar waren met Nederland’.
Dat begreep ik niet.
‘Klaar met Nederland’?
Ja, met het doorgeschoten individualisme hier, het egoïsme, het
‘ieder voor zich’. Mensen keken hier op straat strak voor
zich uit. Je kende je eigen buren niet eens. Wie kenden zij nou helemaal
hier in de straat, na een paar jaar?
Nee, dan vroeger, thuis, in Spijkenisse, daar was het gezellig, daar liep
je zo bij elkaar naar binnen, daar kende je de halve buurt.
Ik hoorde het zo aan.
Twee sympathieke mensen van rond de veertig, schatte ik zo. Ik had ze
wel eens in het voorbijgaan gezien, maar ik had nooit eerder echt met
ze gepraat.
Ik ken vrij veel mensen in de buurt, mede dankzij de hond. Ik vind mensen
helemaal niet alleen maar op zichzelf gericht.
Als ik een blokje omga met de hond, kuier ik vaak van lulpraatje naar
lulpraatje.
Dat beeld schetste ik, als antwoord.
En dat individualisme?
Ja, zei ik, ik ben eerlijk gezegd ook graag alleen.
Ik werk thuis, hier een stukkie verderop, en ik kan me hele dagen prima
amuseren in m’n eentje tussen de grammofoonplaatjes en de troep.
Ik zie toch wel een hoop mensen.
Misschien vertegenwoordig ik wel het individualisme waar jullie voor
vluchten, concludeerde ik, half-ironisch.
Misschien ben ik wel de bron van jullie afkeer.
We konden er samen hartelijk om lachen.
Na het afscheid gingen ze verder met klussen.
Ze waren bezig het huis op te opknappen.
Op een van de ramen zag ik al een briefje: Bijna te koop.
Wonderlijk hoe verschillend mensen tegen hun omgeving kunnen aankijken.
|
 |