 |
AFLEVERING 599 - 25 juli 2010
Burenruzie
Afgelopen week heb ik weer eens de politie gebeld vanwege burengerucht.
Geluid van de buren.
Van de overburen van mijn geliefde.
Het was niet zozeer dat wij er last van hadden.
We waren vooral bang dat de overburen elkaar iets onherstelbaars zouden
aandoen.
Er werd in het Portugees gevloekt en getierd aan de overkant dat het
een aard had.
Met de warmte van de laatste tijd staan nogal wat ramen open, en het gescheld
weerkaatste tegen de gevels van de halve straat.
Op zeker moment vlogen er ook spullen uit een openstaand raam.
Iets van glas sloeg zo kapot op de stoep.
En ik meende te zien dat iemand vrij hard tegen het grote zitkamerrraam
van de ruzie-flat werd geduwd.
In gedachten zag ik de ruit al barsten en iemand met scherven en al van
twee hoog te pletter vallen.
Zelf aanbellen en de boel proberen te sussen leek me niet zo zinvol bij
mensen die je helemaal niet kent.
Dus de politie maar even gevraagd om een kijkje te komen nemen.
Ik heb zulke ruzies helaas wel vaker meegemaakt.
Niet als direct betrokkene, want ik ben absoluut niet van het schreeuwen
en het slaan, ik kan überhaupt slecht tegen onenigheid, ik ben vrees
ik heel erg geboren voor het harmonie-model, maar ja, al zolang als ik
leef, heb ik buren.
Op mijn eigen adres heb ik ook al eens de politie gebeld vanwege slaande
ruzie naast me.
Een vrij jong Antilliaans stel dat bij vlagen hysterisch tekeer ging.
Het gegil, soms ook in het holst van de nacht, was al angstaanjagend,
de plotselinge stilte daarna was zo mogelijk nog onheilspellender.
Tijdens de zoveelste sessie heb ik actie ondernomen.
Na een telefoontje kwam de politie vrij snel.
En ik geloof dat de buren niet lang daarna uit elkaar zijn gegaan.
Misschien maar beter ook.
Op een vorig adres, in het Oude Noorden, heb ik mijn directe buren -
een blank stel, ook nog vrij jong - wel eens ’s nachts het halve
servieswerk aan diggels horen gooien. En dat omlijst door het keihard
slaan met deuren en het uitventen van allerlei verwensingen waarin het
woord ‘kankerhoer’ een vrij prominente rol speelde.
Nogal onaangenaam allemaal.
Ik me herinneren dat ik na één zo’n nachtelijke uitbarsting
’s morgens de deur uit stapte, en de buren tegenkwam.
Ze deden of er niks gebeurd was.
Misschien betekende het voor hen ook minder dan voor mij.
Je weet soms toch niet hoe andere mensen hun leven beleven.
Maar ik denk dat ik altijd de politie zal blijven bellen.
Je wilt bij een fataal afgelopen huiselijke matpartij toch niet achteraf
hoeven verklaren dat je het wel had zien aankomen als buurman, maar niks
hebt gedaan. Toch?
Toen ik van de week bij die ruzie van de overburen van mijn geliefde
de politie aan de lijn kreeg, bleek dat ik al de derde was die hierover
belde.
Dus de sociale controle in dit wijkje werkte wel.
Dat deed me dan weer goed.
|
 |