 |
AFLEVERING 595 - 13 juni 2010
Magere Hein
Afgelopen week heb ik een glimp opgevangen van de wegen die Magere Hein
bewandelt. Ik lag in bed, ’s morgens vroeg, en overdacht mijn leven,
in zo’n toestand tussen waken en slapen in, na een droom waarin ik
met een bootje midden op een grote rivier roeide.
Een rivier die verdacht veel op de Maas leek.
Op de ene oever van de Maas bivakkeer ik geregeld bij mijn geliefde,
in haar flatje. Op de andere oever bewoon ik een soort herenuis met mijn
inmiddels ex-vrouw, plus hond en poes. Mijn ex-vrouw heeft zicht op een
eigen onderkomen. Als het zover is, vertrekt ze, maar voor het moment
zitten we in deze gespleten positie.
Nu al zo’n twee jaar slaap ik in dat herenhuis in de logeerkamer,
als ik er ben.
Ik lig dan in het eenpersoonbedje waar ik als tiener al in sliep.
Op zich geen onprettig bed.
Vond ook de hond, lange tijd.
Ik heb het in deze verhaaltjes nog wel eens over de hond. Over z’n
ouderdom, z’n kwaaltjes, en het einde dat je een dezer jaren mag
verwachten.
De hond, een labrador-achtige, is ruim twaalf.
Nog even en z’n tijd zit erop.
Vroeger dacht ik dat er een scherpe scheidslijn loopt tussen leven en
dood. Op zich is die scheidslijn er natuurlijk wel, maar als je er een
beetje oog voor hebt zie je daar omheen allerlei verschijnselen die de
overgang iets vloeiends geven.
Jaren geleden kwam de hond op de bank vaak gezellig tegen me aan liggen.
Op zeker moment zocht ie de andere hoek van de bank op. Toen ging ie steeds
vaker in zijn mand liggen, daarna op de gang, en op zeker moment sjokte
ie na de ochtendronde al meteen de trap op naar de logeerkamer, om daar
op het logeerbed te gaan liggen.
Waar ie dan bleef tot de volgende ronde.
Je raakt zo’n beest stukje bij beetje kwijt.
Stukje bij beetje verplaatst ie zich naar de rand van je bestaan.
In dat logeerbedje waren wij de afgelopen jaren ook een beetje concurrenten,
de hond en ik. Als ik thuis sliep en naar bed ging, moest hij vaak plaatsmaken.
Met lichte tegenzin strekte het dier dan de poten, stapte behoedzaam van
bed op de zachte vloerbedekking en strompelde lijdzaam naar de dichtsbijzijnde
bank.
Het is voorgekomen dat ik daarna eerst wat kattengrit van het logeerbedje
moest kloppen. Ergens in de loop der jaren heeft de hond de smerige gewoonte
ontwikkeld om de drollen van de poes uit de kattenbak te vreten, en ja,
daarbij blijft wel eens wat grit aan je bek plakken.
De laatste tijd ligt er geen grit meer op het logeerbedje.
De hond ligt er nog maar zelden op, geloof ik.
Z’n favoriete plek is nu helemaal beneden, in het halletje, pal
achter de voordeur. Daar ligt ie hele dagen.
Het zal de koelste plek in huis zijn.
Maar dat het dicht bij de uitgang is, kwam mij van de week, halfwakker,
in bed, nadenkend over de loop der dingen, symbolisch over.
Alsof hij er dan vast is, als Magere Hein aanbelt voor de grote oversteek.
|
 |