 |
AFLEVERING 586 - 4 april 2010
Jon Allen
Afgelopen week ben ik tegen de grenzen van mijn eigen fantasie aangelopen.
En dat gebeurde in de studio van Radio Rijnmond, bij een mini-concertje
van de Engelse singer-songwriter Jon Allen.
Als u vaker luistert naar de programma’s die ik maak, kunt u zich
mischien voorstellen dat ik omkom in de muziek. Ik werk vooral thuis.
Mijn werketage thuis puilt uit van de platen. Platen waarvan een belangrijk
deel nog onbeluisterd is. Als ik geestelijk ruimte heb voor geluid, zet
ik meestal iets op om te beoordelen of ik er voor de radio iets mee kan.
Zomaar, puur voor mijn eigen ‘plezier’, draai ik bijna geen
muziek meer.
Bijna, want nu en dan dient zich toch iets aan waar ik vaker naar wil
luisteren. Dat ik prettig vind als achtergond.
Zoiets gebeurde ergens afgelopen jaar met de debuut-cd van Jon Allen.
Heerlijke plaat. Misschien niet echt vernieuwend. Het klinkt een beetje
sixties-, seventies-achtig. Maar: heel prettige muziek, fantastisch gearrangeerd
en gebracht met een wat schurende stem die niet snel gaat vervelen.
Ik heb die cd van Jon Allen heel vaak gedraaid.
In de auto, en in het flatje van mijn geliefde.
Van de week was Jon Allen in Rotterdam voor een optreden in Rotown. Ik
ga niet zo graag naar zulke optredens. De mensenmassa, het volume en het
gebrek aan comfort trekken me niet zo. Maar voorafgaand aan dat concert
zou Jon live komen spelen in het programma van mijn collega Ronald van
Oudheusden.
Daar wilde ik nou wel bij zijn.
Ik was erbij.
Als enige, buiten Ronald, de technicus en de Nederlandse manager van Jon.
Ik zat in de studio en keek naar een Engelse jongen van 32, wat sjofeltjes
gekleed en getooid met een hoedje, die bij zijn eigen gitaarbegeleiding
twee liedjes zong van de cd die hij in eigen beheer heeft uitgegeven.
Het was helemaal niet slecht, ik hoorde ook nu zijn talent, maar op de
een of andere manier kon ik dit tafereel moeilijk rijmen met die muziek
die ik nu al zo vaak in de auto heb gedraaid, en die nu al zo vaak bij
mijn geliefde door de huiskamer heeft geschald.
Waar zou ‘m dat in zitt
Ik heb erover nagedacht.
Ik denk dat je in je hoofd een heel eigen gevoelswereld spint rond muziek
die je aanspreekt. Je bent – onbewust - zelf hard aan het werk.
Je maakt er iets van dat zich in zekere zin loszingt van waar het mee
begon.
In mijn hoofd zit niet een jongen met gitaar en hoedje.
In mijn hoofd zit muzikaal plezier. En in het verlengde daarvan: levensplezier.
Autorijden met je raampje open. Wind door je haren. Meedrummen. Meelallen.
Of vredig aan de thee zitten bij mijn geliefde, terwijl de lage voorjaarszon
lange strepen trekt over het laminaat.
De valkuil waar ik met Jon Allen in was getrapt, is misschien wel dezelfde
valkuil als waar radio-luisteraars nog wel eens intrappen. Dat ze bijvoorbeeld
dit programma horen, Archief Rijnmond, en dat ze daar dan graag een keertje
bij willen zijn. Soms zit hier inderdaad iemand, maar van tevoren zeg
ik altijd dat er weinig te zien is.
In de studio zit een iets te dikke meneer teksten voor te lezen die hij
thuis heeft bedacht. En nu en dan drukt hij op een knopje om een cd te
starten.
Meer is het niet.
De rest gebeurt in je hoofd.
In het hoofd van de luisteraar, en bij de voorbereiding in het mijne.
Net als muziek is radio illusie.
Het gaat van de ene binnenwereld naar de andere binnenwereld.
Met daartussen een vertaalslag.
Hoe het er in het hoofd van de luisteraar aan toe gaat, weet ik natuurlijk
niet precies, maar hoe de binnenkant van mijn eigen hoofd eruit ziet,
weet ik maar al te goed.
Die binnenkant ziet eruit als mijn werketage thuis.
Het is een uitdragerij van platen, boeken, dozen, papiertjes, stapeltjes,
tasjes, mappen en nog zo wat.
Een bende die ik als inspirerend ervaar.
En ergens in die bende ligt de cd van Jon Allen.
|
 |