 |
AFLEVERING 584 - 21 maart 2010
Gelijk en ongelijk
Afgelopen week ben ik weer eens geconfronteerd met mijn eigen gelijk. En
mijn ongelijk.
Het speelde zich af in Amsterdam.
Ik was daar samen met mijn geliefde om materiaal uit te zoeken bij het
Theater Instituut Nederland. Mijn geliefde werkt bij het OorlogsVerzetsMuseum
in Rotterdam. Voor een tentoonstellinkje dat dat museum binnenkort houdt
is onder meer fotomateriaal nodig. En iets daarvan hoopte mijn geliefde
te vinden bij dat instituut in Amsterdam.
Ze had per mail het een en ander aangevraagd, en te horen gekregen dat
ze kon langskomen om het in te zien.
Nou heb ik gemengde gevoelens over instituten en archieven. Aan de ene
kant is het mooi dat allerlei materiaal daar wordt bewaard. Aan de andere
kant hoop ik altijd maar dat geïnteresseerden er ook makkelijk bij
kunnen.
Dat je zonder al te veel gedoe materiaal kunt inzien en kopiëren.
Zoals je dat bij een particuliere verzamelaar meestal zonder problemen
ook kan.
In het algemeen geloof ik iets meer in gedreven individuen dan in instellingen
waar mensen een ‘baantje’ hebben, vrees ik.
Ik had weliswaar goede ervaringen met het Theater Instituut, maar ja,
de man van het geluidsarchief met wie ik altijd te maken had, is er bij
de jongste bezuinigingsronde uitgekieperd, op andere manieren zou ook
zijn gesneden in de uitgaven, zo hoorde ik, en het instituut is vanwege
de kosten vertrokken uit het centraal gelegen grachtenpand in Amsterdam
waarin het zat, dus hoe het er nu voor zou staan: ik wist het niet.
Mijn geliefde en ik meldden ons in de Sarphatistraat, maar wat daar klaar
lag, niet de aangevraagde stukken. De boel lag nog in het depot, zo kregen
we te horen. De man die ze hierheen had moeten brengen was geloof ik ziek.
En niemand had blijkbaar gedacht aan vervanging.
Daar kom je dan voor uit Rotterdam.
Nou ja, we konden ook zelf naar het depot en de spullen daar inzien.
Het depot was op een bedrijventerrein niet ver van de Amsterdam Arena,
het Ajax stadion.
Wij daarheen.
Ik ken de weg in Amsterdam een beetje, maar een flink aantal wegopbrekingen
en omleidingen verder, vond ik mezelf terug op een snelweg, turend of
ik ergens de witte bogen van de Arena zag.
Uiteindelijk vonden we de Arena, het bedrijventerrein, en de straat van
het theater-depot. Terwijl ik de auto de parkeerplaats daar opdraaide,
zei ik tegen mijn geliefde: “Als die spullen die je zoekt nou niet
bij zo’n instituut lagen maar gewoon bij een verzamelaar, hadden
we nu gezellig bij iemand thuis aan de thee en koffie gezeten.”
En mijn geliefde zag aankomen wat ik hierna ging zeggen: “Ik geloof
dat hier een stukje voor de zondagochtend wordt geboren.”
We waren de auto nog niet uit, of in de loods van het theater-depot zwaaide
een deur open. We werden verwacht.
De medewerker die ons ontving was allerhartelijkst. Hij vond het ook erg
vervelend dat we voor niks naar de Sarphatistraat waren gereden. We kregen
koffie en thee. De gezochte mappen met foto’s lagen klaar. En de
medewerker ging voor ons op zoek naar meer. De man bleek werkelijk hart
te hebben voor zijn werk en voor de Nederlandse theatergeschiedenis.
Uiteindelijk namen we zo ongeveer als vrienden afscheid.
Eenmaal weer in de auto, zei ik tegen mijn geliefde: “Daar gaat
m’n stukkie.”
Waarop zij reageerde met: “Het hoeft toch niet altijd slecht af
te lopen?”
O nee.
Ze had gelijk.
Aan die mogelijkheid had ik nog niet gedacht.
|
 |