AFLEVERING 579 - 14 februari 2010
Henk van der Meyden


Afgelopen week heb ik me een beetje Henk van der Meyden gevoeld. Of Evert Santegoeds. Of Albert Verlinde.
Een soort roddelkoning.
Ik was bij een oudere acrobaat thuis.
De man vertelde me ergens in het lange gesprek dat we hadden dat de dochters van een andere oude artiest die ik ken, helemaal niet diens dochters zijn.
Die zouden van iemand anders zijn, ook uit het vak.
Iemand die ik ook ken, althans van naam en faam.

Een oude illusionist die ik er later diezelfde dag op de man af naar vroeg, keek me als antwoord zwijgend aan.
Zijn gezicht sprak boekdelen.

Inwendig hoorde ik mezelf zeggen: “Zo hoor je nog eens wat.”

Vorige week had ik iets vergelijkbaars.
Ik kreeg een mailtje van een mevrouw die ooit verkering had gehad met een jongen uit een min of meer bekend Rotterdams groepje. Ze schreef me: “De hele klas vond het maar dom, want ze waren te weten gekomen dat zijn vader NSB’er was en hijzelf in de Hitlerjugend zat, of Jeugdstorm, of hoe het dan ook heten mag. En dat was in 1944 niet best.”

Kijk aan.

Dat soort gevoelige informatie uit het vaderlandse variété bereikt me wel vaker. Ik weet ook van muzikanten die niet meer met elkaar wilden praten omdat de een aan de kinderen van de ander zou hebben gezeten. Ik ken de dochter van een muzikant die niets meer met haar vader te maken wil hebben na jarenlang misbruik. Van meerdere kanten heb ik gehoord over een duo dat constant ruzie had, ook op de bühne, voor een niet onbelangrijk deel gevoed door de drankzucht van de een. En ik heb van nabij een duo meegemaakt dat na het uiteengaan zo’n bonje had dat de een als gevolg van bedreigingen door de ander heeft moeten verhuizen.

Muzikanten, artiesten: niets menselijks is hen vreemd.
Ook onder de brengers van amusement slaat de sfeer wel eens om, of gebeurt wel eens iets dat de wenkbrauwen doet rijzen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik zulke privé-schandalen graag hoor – ook mij is niets menselijks vreemd – maar wat ik ermee kan, is natuurlijk de vraag.
Ik ga niet alles met naam en toenaam doorgeven.
Een beetje terughoudendheid kan denk ik geen kwaad.
Je weet niet altijd in hoeverre iets echt waar is, en je wilt niemand nodeloos beschadigen.

Onlangs ben ik begonnen om voor de krant De Oud-Rotterdammer biografietjes te maken van oude Rotterdamse artiesten. In wat uitgebreidere vorm, en met meer fotomateriaal, komen al die verhalen op een site.
En uiteindelijk moet het een boek worden.

Dat wordt een fantastisch boek, dat weet ik nu al.
Maar sommige verhalen die ik ken zullen er dus niet in staan, of hooguit in gekuiste vorm.

Achter de werkelijkheid van zo’n boek, zal dus nog een andere werkelijkheid schuilgaan. Een andere werkelijkheid die niet noodzakelijkwijs ‘echter’ is, maar toch.

De genoemde oudere acrobaat bij wie ik van de week over de vloer was, wees me al bladerend door zijn plakboek op een zwart-wit foto van lang geleden. “Kijk,” zei hij, “dat meisje daar rechts, dat was destijds het vriendinnetje van Henk van der Meyden. Ken je die nog, Henk van der Meyden?”