 |
AFLEVERING 574 - 10 januari 2010
Gevallen
Afgelopen week ben ik gevallen met de fiets.
Het was glad op het fietspad van de Maashaven Oostzijde, ik dacht aanvankelijk
ongestraft door rood te kunnen rijden bij de kruising met de Pretorialaan,
maar zag opeens toch wat auto’s afslaan, kneep voorzichtig, maar toch
te hard, in mijn remmen, slingerde eerst naar links, daarna al corrigerend
naar rechts, en daar ging ik.
Plat op het asfalt.
Zelf maakte ik een zachte landing op mijn rechterdij - soms is een beetje
overgewicht wel handig.
Maar mijn fiets stuiterde keihard op het glazige wegdek.
En ik had al meteen het gevoel dat dat niet goed kon zijn voor mijn veel
te dure hybride-brik, die ik lang geleden heb aangeschaft in een gecombineerde
aanval van geldpest en gedroomde sportiviteit.
Ik zal wel een fraaie aanblik hebben gevormd.
Een wat dikke meneer, door eigen domheid gevallen met z’n sportieve
fiets.
Uit eigen ervaring, en uit het waarnemen van anderen, weet ik dat als
je valt, je de neiging hebt om zo snel mogelijk op te staan en te doen
alsof er niks aan de hand is.
Een beetje zoals dieren in een voorthobbelende kudde doen.
Meteen opstaan en verder.
Misschien is het wel de angst om je kwetsbaarheid te tonen.
Niemand wil zich kenbaar maken als makkelijke prooi.
Zoiets.
Zo heeft een nicht van me in Amsterdam zich eens over iemand ontfermd
die op straat met z’n fiets in de tramrails was blijven haken en
tegen de grond was gekwakt.
Een dronken man, die naar eigen zeggen niks mankeerde.
Welnee, hij hij had geen hulp nodig.
Hij stond wel weer op.
De man realiseerde zich niet dat net onder zijn halfopgestroopte spijkerbroek
het bot van zijn onderbeen naar buiten stak.
Me bewust van dit mechanisme, heb ik het juist vrij rustig aan gedaan
na mijn val. Ik stond op, klopte sneeuw en ijs van mijn broek en jas,
en inspecteerde de fiets.
Het leek mee te vallen.
Mijn licht deed het niet meer.
Maar dat euvel bleek te verhelpen.
De batterijen waren alleen maar losgeschud.
En de handrem was uit het lood.
Maar die liet zich makkelijk ontzetten.
M’n bel was wel echt kaduuk.
Dat hendeltje waarmee je belt, was afgebroken.
Hoe noem je zo’n ding?
Er is vast een vakterm voor zo’n hendeltje.
Ik stel me zo voor dat je op een congres van fietsbel-fabrikanten met
die vakterm wordt doodgegooid.
Het is dat ding voor, en dat ding na.
Maar ik weet niet hoe je het noemt.
Toen ik eind van de dag mijn geliefde weer zag, inspecteerde ook zij
mijn fiets.
Ze keek naar m’n bel.
“Ja, je lulletje is eraf.”
M’n lulletje?
Toen ik die omschrijving hoorde viel ik inwendig bijna nog een keer van
m’n fiets.
|
 |